Zo ben ik opgevoed

Mode-ondernemer Patrick Lusink deed drie jaar geleden mee aan het tv-programma Stinkend rijk en dakloos. Tijdens de opnamen trok hij op met de Amsterdamse straatkrantverkoper Willem. Vorig jaar kocht Patrick voor Willem en al zijn collega’s in het land knalrode verkopershesjes.

Patrick Lusink
‘Alle luxe is betrekkelijk. Uiteindelijk gaat het voor ieder mens om aandacht en genegenheid. Of je nu in God of Allah gelooft, waar je ook vandaan komt, welke kleur je ook hebt, het gaat voor iedereen op. Al die onvrede bij mensen, al die angst, en de oorlogen die daaruit voortkomen. Ik vraag me wel eens af of al die ellende echt nodig is om mensen op een punt te brengen dat ze weer vooruit kunnen.

De economie zit nu op slot, de banken spelen alleen op zeker. Als er miljoenen te verdienen zijn, en er is geen enkel risico, dán komen ze in actie. Ik hoop dat we in 2015 weer verder kunnen, maar dat kan ook 2016 worden. Voorlopig wordt er bezuinigd en weinig geïnvesteerd. Alles moet nu zo goedkoop mogelijk.

Voor kleren gaan de mensen tegenwoordig naar de prijsvechters. Dan kun je voor honderd euro twee broeken en vijf T-shirts kopen, een grote tas vol. Maar schijn bedriegt, want de narigheid die achter die goedkope spullen schuilgaat, is groot. Kinderarbeid, giftige kleurstoffen, slechte arbeidsomstandigheden, ga zo maar door. Kwaliteit, service en maatschappelijk verantwoord ondernemen verdwijnen naar de achtergrond. Doodzonde.’

Blij maken
‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen? Voor mij is dat logisch, een vanzelfsprekendheid. Je kunt wel keihard voor de cash gaan, maar op de lange termijn wordt niemand daar beter van. In mijn bedrijf werken we aan service en kwaliteit, omdat dat de enige zekerheden zijn die je hebt. Ik wil mijn klanten blij maken, niet alleen geld aan ze verdienen.

Ik vind dat je moet ondernemen uit je gevoel, want je opereert in een netwerk waarin niet alleen je klanten en jijzelf opereren. Iedere ondernemer moet zich ook verantwoordelijk voelen voor zijn leveranciers en de mensen die bij zijn leveranciers werken. Ik heb in Turkije gezien hoe de mensen die mijn kleding maken werden opgehaald van huis. Hoe ze samen eten tussen de middag en hoe mijn leverancier met ze praat over wat ze bezighoudt.’

Fatsoen
Die aandacht en genegenheid worden onderdeel van het product dat ík verkoop. Dat kun je maatschappelijk verantwoord noemen, maar in feite is het gewoon een kwestie van fatsoen. Zo doe ik de dingen, zo ben ik opgevoed, en dat geef ik weer door aan mijn kinderen. Als je mij vraagt wat ik zou doen als ik een sociale onderneming zou starten, vind ik dat een moeilijke vraag. Ik heb maar van een paar dingen verstand. Intuïtief zeg ik: als je het probleem van de wereld wil oplossen moet je een onderneming starten in aandacht en genegenheid. Dat is waar de mensen behoefte aan hebben.

Dat geldt bijvoorbeeld voor jullie verkopers maar ook voor andere mensen die het op het oog goed voor elkaar hebben. Veel mensen kijken naar mij en denken dat ik makkelijk praten heb omdat ik een succesvolle ondernemer ben. Maar je bent nooit klaar als ondernemer, je moet blijven werken om de zaak aan de gang te houden. Ik heb van dichtbij een faillissement meegemaakt, dus ik weet hoe snel je aan de grond kunt zitten. Dat zie je ook aan jullie verkopers.

Ik heb het goed, maar ik weet dat we thuis twintig stappen terug kunnen doen als het moet. Dat het dan ook nog goed is. Familie en vrienden, aandacht en genegenheid, zijn het állerbelangrijkst. Een sociale onderneming die aandacht en genegenheid verkoopt, dat is een prachtig idee. Maar helaas, aandacht en genegenheid zijn niet als product te vermarkten.’

 

Tekst: Hans van Dalfsen

Bron: Straatglossy voor de randstad / 1e Jaargang nr. 1 / najaar 2013